El Gastor

Er zijn mensen die van de Provence houden, mensen die hun hart zijn verloren in Toscane en mensen die hun hart vonden in Andalusië. Ik behoor tot die laatste groep. En dat zit heel diep. Het is emotioneel, het is liefde, het is ontroering. De gele glooiende weilanden, de droge olijfboomgaarden, verlaten fincas, witte prachtige paarden op de heuvels. Rijdend op haar rustige wegen voel ik een sentiment van thuiskomen. Ik open het raam van de auto, ik snuif de geur op, een heerlijke combinatie van olijven en schroeiende hitte, ik steek mijn arm uit, spreid mijn vingers tegen de wind in, als symbool van de vrijheid en het simpele geluk dat zich van me eigen maakt. Een glimlach vormt zich onbewust op mijn gezicht. Ja, het is er nog steeds, de magie van deze streek. De vlinders die ze diep in mijn hart veroorzaakt.
 
Het huis op de berg. Mijn tweede thuis. Het wegje ernaartoe kronkelt zich een weg door de heuvel.
Hoe we dit huis ooit vonden is me nog steeds een raadsel of misschien vond het huis ons…
Het huis ligt afgelegen, verstopt zelfs, alsof het zich wil hoeden voor de mensen die de schoonheid en de details ervan niet zullen appreciëren.
Wij zijn wel welkom – dat voelden we al van bij de eerste keer dat we daar binnenstapten.
Het uitzicht is nog elke keer even hypnotiserend. Het is een plaats waar je niet meer weg wilt omdat het onbedorven is, onaangeroerd door het jachtige leven van elke dag. Het is heel, het is wat we allemaal trachten te zijn.
Ik adem diep in en uit – gewoon voor je uit staren is al therapie, meditatie en extreem helend voor de ziel.
 

 
Tijd is de ultieme luxe, besluiten we tijdens een van de lange gesprekken wanneer we om 20u30 nog aan het zwembad liggen met de laatste zonnestralen op onze lijven. In ons leven in België wordt de hele dag gedomineerd door tijd: op tijd op school, op tijd op het werk, op tijd naar de supermarkt, op tijd koken, op tijd gaan slapen. Ik betrap me erop dat ik op geen enkel moment in mijn dagelijkse leven de tijd uit het oog verlies. Ik weet op elk moment van de dag op een paar minuten na welk uur het is. Ik besef weer wat een stressfactor tijd in ons leven is. En thuis krijg ik die lopende stopwatch nooit afgezet. Hier is dat anders – hier weet ik niet hoe laat het is – we slapen tot ons lichaam zegt dat het uitgerust is, we eten wanneer onze maag begint te knorren, beginnen pas te denken aan kleren aandoen wanneer de zon al even onder is en gaan pas slapen wanneer we de hele sterrenhemel en de melkweg hebben geanalyseerd.
 
Dit is vrijheid, dit is luxe. Dit is schoonheid. Dit is rust. Dit is leven. 
 
Ik rij het onverharde wegje op dat me in 4 minuten naar het dorpje leidt. Helemaal in eerste versnelling de berg op, airco af, muziek af, blazer af, anders kan de arme auto de extreme helling niet aan. Ik rij het dorpje in, de straten zijn allemaal tweerichtingsverkeer, terwijl er maar net éénrichtingsverkeer mogelijk is. Het witte dorpje lijkt te weerkaatsen in het zonlicht. De grootmoeders zitten buiten aan de huizen met hun kleinkinderen. Hun stoelen met het zitje naar de zijkant geïnstalleerd zodat ze de voorbijrijdende auto’s net niet raken. Ik moet 3 keer de berg achteruit terug oprijden om een andere auto te laten passeren. Zo gaat dat hier. Het komt altijd goed, het is soms gokken, wat schietgebedjes en verliezen maar het komt altijd goed. Ochtenden hier zijn bedrijvig, nu de hitte nog draaglijk is. De mannen staan aan de Once om hopelijk de lotterij te winnen en drinken een cafe con hielo in het plaatselijke café, de vrouwen gaan naar de plaatselijke supermarkt, waar je het eerste halfuur niet buitengeraakt omdat boodschappen doen een sociale bedoening is en geen anonieme passage aan de selfscan. De visboer is enkel ’s ochtends open, net als de beenhouwer. Bij de Pollo Assado vind je elke dag kip, behalve op zaterdag – dan maken ze churros. Op bestelling. Voor het ganse dorp.
Voor 21u30 vind je hier niemand op restaurant, maar vanaf 22u komen de families toegestroomd om van de eerlijke, simpele kost van de restaurants waar het menu al 20 jaar niet is veranderd te genieten. Iedereen kent hier iedereen, de kinderen zijn hier geen aanhangsel van de ouders – maar echte individuen. Ze dragen allemaal te korte broekjes en kleedjes, ook zo typisch Spaans, bedenk ik me. Er is geen muziek in de restaurants, dat hoeft ook niet, het geroezemoes van de Spanjaarden en de kletterende borden is vermakelijk genoeg. Niets is hip hier, niets gaat om het uitzicht, alles gaat over de inhoud. 
 

 
 
De ochtenden in bed met koffie van de koffiezet met uizicht op mijn berg.
De voormiddagen snuisterend door de boeken in mijn favoriete huis.
De late lunchen op het terras met watermeloen, tomaten en feta.
De namiddagen wegdoezelend in mijn ligstoel met op de achtergrond het spetteren van man en kind in het zwembad, de schapen met hun altijdrinkelende bellen rond hun nek en een eenzame haan die zich ook niet bewust is van de tijd.
De zonsondergangen met tinto de verano als hoogtepunt van de dag.
De ritten in het donker naar het restaurant en terug.
De nachten kijkend naar de maan, de duizenden sterren en hun reflectie op het meer beneden.
Het wakkerworden in het midden van de nacht door honden die zich wolven wanen en alleen ’s nachts van zich laten horen, om een niet aanduidbare reden.
 
Dat alles is my happy place.
Mijn haven.
Mijn klein paradijs.
Dit is wat je niet ziet op de foto’s.
Het is niet vatbaar op een instabeeld.
Mijn man geeft het huis een handkusje wanneer we weer moeten weggaan.
Ik glimlach en doe hetzelfde.
Een traan biggelt over mijn wang in de vroege ochtend voor we vertrekken.
Enkel de maan heeft het gezien. Het meer glinstert in haar licht.
Misschien is het meer wel volgeraakt met tranen van mensen die moeten vertrekken.
Tot volgend jaar, droomplek.
Ooit blijf ik gewoon hier.

No comments